Uitgelicht: de martelscene van de Magistraat
Een aria uit de opera onder de loep genomen
De linkjes verwijzen naar ons Spotify-account
Scene 4: Perhaps You Would Be So Kind
Scene 5: Enemy, Barbarian Lover!
Philip Glass’ Waiting for the Barbarians is een opera over een naamloos Rijk, dat in beroering raakt door geruchten over een aanval van ‘barbaren’ aan de buitengrenzen. Een van de terugkerende onderliggende thema’s in de opera is dat taal en communicatie nooit neutraal zijn. Ze worden voortdurend ingezet als machtsinstrument. Wanneer de vertegenwoordigers van het Rijk arriveren in de grensnederzetting, dulden zij geen tegenspraak: hun woord is wet. Pogingen om nader tot de barbaren te komen doen zij niet. Niemand spreekt hun taal; een extra reden om hen weg te zetten als minderwaardig. Glass speelt met dat gegeven door de barbaren muzikaal te verbeelden door een koor dat woordloze klanken zingt.
Kolonel Joll probeert desondanks met foltermethoden gevangenen te dwingen informatie te geven in een taal die niet de hunne is. Het is maar zeer de vraag of wat zij zeggen betrouwbaar is, ondanks de stelregel van de kolonel dat ‘pijn waarheid is’. Aan de andere kant probeert de Magistraat, grotendeels tevergeefs, de barbaren te begrijpen, in het bijzonder het Barbarenmeisje dat hij in zijn huis opneemt. Zijn onvermogen om echt nader tot haar te komen, haar echt te bereiken en te kennen, is misschien wel de belangrijkste rode draad in de opera.
Het thema van de taal komt in de tweede akte tot uitbarsting. In de vierde scène van de tweede akte vraagt de wantrouwende kolonel Joll de Magistraat uitleg te geven over een verzameling houten tabletten met onleesbare opschriften die hij heeft gevonden in ruïnes buiten de nederzetting. Hij had al eerder naar die tabletten gevraagd en toen had de Magistraat, die niet gelooft in een acute bedreiging door de barbaren, cynisch gesuggereerd dat ze wellicht onderdeel waren van een beschaving die door de barbaren is uitgeroeid. Precies datgene waarvoor het Rijk vreest. Joll suggereert het gecodeerde boodschappen zijn tussen de barbaren en de Magistraat. Maar die laatste tart de kolonel door de houten tabletten te ‘ontcijferen’ met de beschrijving van Jolls eerdere wandaden tegenover de gevangenen. Het komt hem duur te staan: de kolonel levert hem uit aan zijn beulen. De vierde scène wordt uitzonderlijk genoeg voorafgegaan door een instrumentale proloog; Glass zet de scènes die volgen dus op een bijzondere manier in de dramatische steigers.
Net als in zijn andere confrontaties met de vertegenwoordigers van het Rijk probeert de Magistraat het eerst nog met taal en daagt Mandel, zijn beul, uit. Maar die is daar ongevoelig voor. Het koor maakt de Magistraat in alle opwinding eerst uit voor ‘vijand’ en ‘barbarenvriend’, maar Glass laat ze dat op zo’n manier zingen dat de woorden nauwelijks verstaanbaar zijn. Het is op dit moment dat de Magistraat overgaat van cynisch commentaar tot openlijk verzet: hij kan het lijden en het geweld niet langer verkroppen en hij is bereid om voor zijn verzet zelf te lijden. De marteling van de Magistraat begint, en hij verliest zijn macht over de woorden: alles wat hij kan doen is het uitschreeuwen van de pijn. Of zingt hij zijn schreeuw? In de context van een opera kun je je afvragen: wat is het verschil tussen zingen en schreeuwen? Waar ligt de grens?
De beul Mandel roept uit: ‘Dat is de taal van de barbaren! Hij roept zijn barbarenvrienden!’ Dat is in deze context extra pregnant: wie zijn hier nu de barbaren? Is dat werkelijk de welbespraakte Magistraat die door extreme marteling tot woordeloos geschreeuw wordt gedwongen? Of is hij het zelf, met zijn onverbiddelijke onverzettelijkheid van de macht? En zijn de onverstaanbare kreten van het koor niet veel eerder op te vatten als de ‘taal van barbaren’?
Hier is niemand nog geïnteresseerd in communicatie, in het overbruggen van afstanden, in het zich verplaatsen in de ander. Hier is alleen een ‘wij’ tegen een ‘zij’, en iedereen die bij de laatste categorie hoort moet het bezuren, op de meest pijnlijke manier mogelijk. Wachten op de barbaren? De barbaren zijn al lang en breed aanwezig, zijn er altijd al geweest.
Tekst: Benjamin Rous, 2026