Regisseur Paul Koek: ”Ik maak niet iets waarbij je lui achterover kunt hangen.”

Door Ben Coelman

Paul Koek is een van de meest vooraanstaande makers van muziektheater die ons land rijk is. Voor de The Fairy Queen, een co-productie van de Nationale Reisopera en de Veenfabriek, tekent hij voor de regie. Nu we een paar weken van de première verwijderd zijn, is het tijd voor een kort gesprek over een aantal belangrijke aspecten van dit wonderbaarlijke werk

Je bent nu een aantal weken bezig met het werken aan The Fairy Queen. Wat is daarbij je uitgangspunt geweest?
“Het is een onwaarschijnlijke eer om The Fairy Queen te mogen doen bij de Nationale Reisopera. Maar binnen die opdracht heb ik wel gedacht: ik moet het iets naar me toe trekken. De Fairy Queen is een semi-opera op basis van Shakespeare’s A Midsummer Night’s Dream, met gesproken dialogen en muzikale nummers, songs zo je wilt. In mijn opvatting gaat dat stuk over liefde en wel over de diepere betekenis daarvan. Wat is liefde eigenlijk? Hoe kan het dat verliefdheid je in verwarring brengt? Het is ook de ongrijpbare, de buitengewone kracht ervan die ons zo boeit. De liefde is hier in Shakespeare’s visie vluchtig. Het is stromende lucht. Het stuk speelt zich ook niet voor niets af in die bijzondere, korte midzomernacht, op die bijzondere scheidslijn. En het speelt zich ook niet voor niets af in de natuur. Het is een heel andere opvatting van liefde dan die Shakespeare in zijn andere komedies laat zien, waar liefde een element van corruptie in zich draagt. Het is juist dat vluchtige, dat kwikzilverige, dat wij vaak maar moeilijk kunnen vatten en serieus nemen. William Butler Yeats schreef ooit eens: ‘Er bestaat een andere wereld, maar hij bevindt zich in deze’. Die andere wereld is dus dichtbij, maar we raken hem zo moeilijk aan.”

Je bedoelt dat het eigenlijk allemaal al aanwezig is, maar dat je het nooit eerder hebt gezien?
“Precies. En die andere wereld – en daar kan ik enorm van genieten – die wordt volgens mij door Shakespeare in een heel klein druppeltje gegoten. Vervolgens wordt dat druppeltje door die vreemde figuur met de naam Puck in de ogen gegoten van de minnaars en van Titania. En daar, in dat ene druppeltje, ligt dan een totaal andere wereld besloten. Ik kan daar ook echt in geloven. Als we eens met z’n allen stil zouden blijven staan bij dat soort fenomenen en deze mee zouden nemen in ons dagelijkse bestaan, dan geloof ik oprecht dat we een betere wereld zouden krijgen.”

Is dat de uiteindelijke moraal van het verhaal?
“We zijn als toeschouwer gewend om in een voorstelling een antwoord te krijgen op de vraag die gaandeweg het stuk worden opgeworpen. We willen weten waar het naar toe gaat. Dat moment vindt in Shakespeare’s A Midsummer Night’s Dream plaats aan het einde van het stuk, op het moment waarop Titania en Oberon weer worden verenigd. Daardoor wordt de orde, de harmonie in de wereld, in de natuur en in de liefde hersteld. Maar op de een of andere manier lijkt het alsof ik toch moeite heb om daar niets tegenover te stellen. Want zo is de werkelijke wereld nu eenmaal niet. Voor mij hangt het allemaal samen met de wanorde die er heerst aan het begin van het stuk, al die tweede hands spullen die worden geordend vanaf het moment dat Titania wakker wordt in het stuk. Uitgedaagd door de samenleving waarin we ons op dit moment bevinden, met zijn teveel aan regels en teveel aan orde, wil ik vragen stellen. We zetten met onze ordening de natuur buitenspel. We zeggen daarmee: voor onze maatschappij bestaan Oberon en Titania niet. Maar diep in mijn hart denk ik dat er wel degelijk krachten bestaan die ons beïnvloeden. Waar ik in dit stuk naar op zoek ben is mijn idee dat juist de omgekeerde wereld van het harmonieuze harmonieus is. Met andere woorden: wat wij in onze tijd beschouwen als harmonieus op maatschappelijk of financieel vlak en dat wij door strakke organisatie proberen te bereiken, is misschien wel helemaal niet zaligmakend. De Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han stelt in zijn werk De terugkeer van Eros dat we het negatieve niet meer toelaten in ons leven en streven naar positieve, maar vooral gelijksoortige ego’s. Iedereen probeert hetzelfde te zijn als de ander. Daarmee sluiten we Eros, zoals die in de Oudheid werd opgevat, buiten: de biologische krachten tussen individuen, de aantrekkingskracht van de tegenstellingen. Een ver doorgevoerde ordening veroorzaakt dat mensen alleen komen te staan en vereenzamen.

Hoe zit dat dan met de liefde? Dramaturg Paul Slangen van de Veenfabriek is van mening dat de ware liefde een niet te controleren kracht is. De liefde zoals wij hem consumeren – zo zegt hij – is volledig gecontroleerd, je kunt hem zelfs kopen. Maar echte liefde is niet te temmen en heeft dus ook een negatieve, een vernietigende kant. Dat laten Oberon en Titania duidelijk zien.
“Daar kan ik me in vinden. Het is een ongelooflijk werk. Ik kijk er dan ook helemaal niet op neer, zoals sommigen doen. De droom en de liefde zijn voor ons ongrijpbaar omdat we alles zo graag willen ordenen, maar ze pakken je gewoon. Zo kan het gebeuren dat je ’s ochtends wakker wordt en denkt: wat is er in mijn droom allemaal gebeurd? Maar het kan nog sterker. Denk maar aan het moment dat je uit een winkel komt en de straat oploopt en iemand ziet waarbij je het gevoel krijgt: wat gebeurt hier? Dan staat de wereld op z’n kop. Dat is de vonk die van oog naar oog gaat. Daarin komt alles samen. Dat is het druppeltje dat Puck toedient. Voor mij zijn die druppels de tranen van Puck die hij uit zijn ogen laat vallen in de ogen van de anderen. Kortom: ik ben nogal verbijsterd over de diepgang van de thema’s in dit stuk.”

Hoe verloopt het repetitieproces? Het gaat immers niet alleen om Shakespeare maar ook om Purcell’s inbreng?
“Op dit moment ben ik nog druk bezig met het werken aan het laatste deel van het stuk, maar alle eerdere episodes hebben we doorgenomen. Wat je nu ziet, is dat de reflectie die de aria’s hebben op de scènes, echt begint te werken. Je voelt nu in elke scène, hoe kort die ook is, dat de aanwezigheid van een zanger die scène niet doorbreekt. De scène kan blijven staan. Je weet van te voren natuurlijk nooit of een stuk ‘lukt’, of de gekozen opzet werkt. Wat op dit moment nog een uitdaging blijft, is het samenbrengen van de operawereld en de wereld van de acteurs. Het is nu eenmaal zo dat wanneer een zanger ademt voor de inzet van zijn aria, we meteen in een heel ander tempo terechtkomen dan waar we ons daarvoor in bevonden. Maar we hebben gelukkig nog wat tijd om dat proces verder te ontwikkelen. Een proces dat overigens door zowel de zangers als de acteurs moet worden voltrokken, en natuurlijk in gezamenlijkheid. Daarvoor is het tenslotte een semi-opera. Maar al met al vind ik wel opmerkelijk dat – hoewel ik toch heel veel ervaring heb met muziektheater – dit soort dingen mij zo sterk kunnen bezighouden. Wanneer uiteindelijk alles samenkomt hoop ik dat we het publiek actief kunnen betrekken bij het verhaal. Dat is hoe ik werk. Het is niet zo dat ik iets maak waarbij het publiek lui achterover kan leunen. Het stuk zal af en toe verrassen en vragen oproepen die het publiek, aan de hand van het gebodene, wellicht kan invullen. Het moet wel het leven een beetje aanraken, waar we het al eerder over hadden, en de liefde en de droom!”

Gezien de enorme berg muziek die Purcell naliet voor The Fairy Queen heb je een royale selectie gemaakt uit de beschikbare ‘songs and tunes’. Dat deed men in 1692 ook, maar was het voor jou een moeilijke keuze?
“Allereerst heeft dramaturg Paul Slangen mij geholpen bij het maken van een keuze en vervolgens heeft er nog iemand ons op een onwaarschijnlijk goede manier geholpen en dat is de dirigent van deze productie, Manoj Kamps. De meerwaarde van de verbindingen die we hebben gelegd tussen de muziek en de tekst wordt nu duidelijk zichtbaar.”

Kun je gezien jouw visie op dit stuk uit de voeten met al die muziek die Purcell schreef?
“Zeer zeker! Ik ben enorm onder de indruk van Purcells muziek. The Fairy Queen biedt een grote verscheidenheid aan emoties. Purcell heeft het werk zo samengesteld dat vrolijke en eenvoudige melodieën worden afgewisseld met fragmenten van buitengewone schoonheid en intensiteit. Waanzinnig gewoon, die kracht. Die schuilt in een komma, in een achtste, in een c of een cis, maar het is en blijft gewoon één groot geheim. Purcell weet me op veel momenten echt te raken. Dan denk ik, je moet nu toch wel heel gelukkig zijn Paul, dat je dit mag doen… En dat ben ik dan ook.”