Door Benjamin Rous

Mir ist so wunderbar

Op het moment dat het personage Fidelio, een als man vermomde Leonore, ten tonele verschijnt, verandert er iets in de muziek van Beethovens enige voltooide opera Fidelio. Daarvóór waren we vooral getuige van de huiselijke strubbelingen van Marzelline, de dochter van gevangenisbewaarder Rocco. Zij probeerde eerst haar bewonderaar Jaquino af te wimpelen, die haar ten huwelijk probeerde te vragen, en bezong vervolgens haar ontluikende liefde voor de Fidelio.  

 

In het kwartet ‘Mir ist so wunderbar’ (‘Ik vind het zo wonderbaarlijk’), waarin we Fidelio voor het eerst horen, verdiept de opera zich plotseling en krijgt deze nieuwe klankkleuren. Van de eerdere huiselijke sferen betreden we nu het domein van het nobele drama over onderdrukking en bevrijding. Dat Beethoven zich in Fidelio ook graag wil bewijzen door formele muzikale structuren in de opera te gebruiken merken we hier duidelijk. Het kwartet is vormgegeven als een canon, wat betekent dat de zangers één voor één na elkaar dezelfde melodielijn inzetten. Het wordt dan ook wel het ‘canon-kwartet’ genoemd. Dat Beethoven niet over één nacht ijs ging bewijst het feit dat hij het kwartet minstens twaalf keer herschreef voor hij er tevreden mee was.  

De canon is een van de meest gestructureerde muzikale vormen die er zijn, maar Beethoven laat het kwartet prachtig ademen en vloeien door het orkest heel dynamisch te laten spelen. De muziek zwelt beurtelings aan en wordt weer zachter, zodat je je van die strenge vorm eigenlijk nooit bewust bent. Het is een typisch voorbeeld van de bewijsdrift van de componist: hij wil koste wat kost laten zien dat hij met die strikte vorm van de canon, waarin de nadruk ligt op de overeenkomst van de melodielijn, juist de verschillen tussen de personages, hun gedachten en hun emoties kon uitdrukken. 

 

De vier personages zingen hun vierregelige coupletten na elkaar, met steeds acht maten ertussen. Als publiek hebben we een geprivilegieerd totaaloverzicht dat de personages zelf ontberen. Marzelline zingt over hoe zij denkt dat Fidelio van haar houdt, Leonore benoemt het gevaar van deze romantische bevlieging, Rocco blikt alvast vooruit op het huwelijkse geluk van de twee, en Jaquino klaagt over het verraad van Marzelline, die eerst van hem had gehouden. Het is een belangrijk verschil met het gebruik van de canon in komische opera’s van eind achttiende eeuw: daar zingen de personages vrijwel altijd dezelfde tekst na elkaar.   

 

Wil Beethoven duidelijk maken dat deze personages in hun oprechtheid toch nader tot elkaar staan? Zij ervaren verschillende emoties, maar de uiting daarvan heeft voor elk van hen precies dezelfde vorm. De kwesties waarmee zij worstelen zijn verschillend, maar toch delen zij in zekere zin een gezamenlijk lot in de wereld van de gevangenis.  

 

 

Het kwartet opent met prachtige gedempte, aangehouden akkoorden van de altviolen en cello’s. Marzelline zet als eerste in, begeleid door de klarinet, gevolgd door Leonore, met de dwarsfluit als ‘haar’ instrument. Maar de volgende inzet, van Rocco, is een moment van pure muzikale magie: de strijkers, na vooral pizzicato (geplukt) gespeeld te hebben, krijgen opeens weer langere lijnen, en we horen daaronder de sonore klank van de fagotten en hoorns. Je krijgt hier het gevoel dat de muziek zich vanaf nu opent en vleugels krijgt. Het kwartet eindigt met een fortissimo instrumentale cadens: alsof de personages met een schok ontwaken uit hun overpeinzingen.