Dansen op de puinhopen: Interview regisseur Jakob Peters-Messer

Hij schotelt ons zowel een sprookjeswereld als een slagveld voor. Wat regisseur Jakob Peters-Messer in Siroe, re di Persia vooral laat zien is hoe dicht ze bij elkaar liggen. “De oorlog is nooit ver weg, maar wij blijven met onszelf bezig.”

Circusnummers noemt hij het zelf. De bravoure-aria’s die in Siroe, re di Persia vanzelf aandacht trekken. Ze vormen voor Jakob Peters-Messer niet de ruggengraat van deze barokopera. Dat zijn de langgerekte en gevoelige zanglijnen, traag van emotie. “Die maken dit werk zo ongelooflijk sterk. Veel meer dan de grillige karakters en de krankzinnige coloraturen dat doen.” Om te voorkomen dat we ons door dat vuurwerk laten verblinden richt hij daarom de schijnwerper op wat zich tussen de mensen in dit verhaal afspeelt. Want hoe extreem ook, “alleen al in hun cynisme en egoïsme hebben ze zóveel met ons gemeen.”

Geruïneerd 
Dan nog zou je het libretto van Pietro Metastasio kunnen lezen als een ordinaire familievete, een broedertwist met name. Maar dat is de oppervlakkige beschouwing van de strijd tussen de onschuldige Siroe en zijn doortrapte jongere broer Medarse om de troonsopvolging van de koning van Perzië en de intriges die daaruit voortvloeien. Op zoek naar aanknopingspunten om deze opera op scherp te zetten verdiepte de Duitse regisseur zich in de politieke context van het moment waarop het stuk het levenslicht zag. In dit geval: de tweede versie, waarvoor componist Johann Adolph Hasse stevig het mes had gezet in het bijna dagvullende origineel. Peters-Messer: “Die bewerking, die trouwens ook nog een eeuwigheid duurde, was in 1763 de laatste stuiptrekking van het culturele leven in Dresden. Saksen lag er na de Zevenjarige Oorlog en de overwinning van Pruisen volledig geruïneerd bij.”

Een zo sprookjesachtige opera in dat geblakerde decor: de regisseur wist waar hij het zoeken moest. “De exotische wereld van het oude Perzië is vandaag de dag als het Midden-Oosten het toneel van oorlog, terreur en vernietiging. Die contrasten wil ik laten zien.” Hij neemt het publiek daarvoor mee naar beide werelden. Door barok te mengen met actualiteit, uitbundigheid met oorlog, speelsheid met harde realiteit. Een gewaagde keuze, maar Peters-Messer kon niet anders, zegt hij: “Dit ís niet alleen een sprookje. Het heeft ook een scherpe en cynische kant.” Neem prinses Emira, die verkleed als man de ene na de andere aanslag pleegt op de koning, om zo te bewerkstelligen dat haar lankmoedige verloofde Siroe hem kan opvolgen. “Ze wordt gedreven door wraak, want haar eigen vader is voor de koning gesneuveld.”

Uitgekiend
Het ene moment heeft ze, gestoken in strak maatpak, een bijna hedendaagse androgyne uitstraling, het volgende moment verschijnt ze in barokke overdaad als wraakgodin ten tonele. Want de regisseur voert de dubbele enscenering tot het uiterste door, in een uitgekiende combinatie van videoprojectie, uitvergrote objecten en kostuums. De verkleedpartijen onderstrepen de barokke neiging van de karakters om het leven te zien als een spel waarin zij een rol spelen, terwijl tegelijkertijd duidelijk wordt dat hier een verhaal van gewone mensen wordt verteld. Wat deze opera voor ons nu nog interessant maakt is volgens de regisseur vooral het menselijke aspect. “De manier waarop de personages een perfecte versie van zichzelf willen neerzetten is heel barok, en tegelijkertijd doen ze daarin niet voor ons onder. Hun wereld is even mooi als kapot, net als de onze.”
Hij wil vooral het goede laten zien. Dat zit volgens hem niet per se in Siroe: “Het zijn allemaal extreme karakters. Of het nou hebzucht is, machtswellust of juist overdreven goedheid, ze hebben allemaal een defect.” De enige die nog een beetje zijn verstand blijft gebruiken is Siroe’s vriend Arasse, die aldus het gedachtengoed van humanisme en Verlichting belichaamt. “Hij is ook degene die aan het slot bewerkstelligt dat er een nieuw tijdperk aanbreekt.”

Nieuw begin 
Vooral in die belofte van een nieuw begin schuilt de optimistische boodschap. De clichés over goed en kwaad in dit verhaal vroegen er sowieso om een beetje ondermijnd te worden, stelt Peters-Messer. “Zodat je mensen van vlees en bloed te zien krijgt en geen stripfiguren.” De muziek van Hasse reikte hem de handvatten aan. “Die geeft Siroe bijvoorbeeld ook een uitgesproken melancholische kant. Alsof de muziek de karakters openbreekt en hun menselijke kant bevrijdt uit het net waarin die verstrikt is geraakt.” Zodat wij in de spiegel kunnen kijken. Peters-Messer: “De oorlog is op de achtergrond altijd aanwezig, maar wij dansen door, op de puinhopen desnoods. Wat er zich in de buitenwereld ook afspeelt, we blijven vooral met onszelf bezig.” Wanneer de broederstrijd haar hoogtepunt bereikt verschijnt op het toneel zelfs een gevechtsvliegtuig in beeld. “Oorlog verwoest alles, ook de sociale orde. En beetje daarvan laten we zien.” Zonder dat het een oorlogsdrama wordt, haast hij zich eraan toe te voegen. “Vóór alles is het een barokopera in schaamteloze vorm. Kleurrijk, gekunsteld, rijk aan afwisseling en krankzinnig in haar contrasten. Ik bedoel, als er een megagrote handgranaat over de bühne schuift waarachter mensen zich verstoppen dan is dat óók heel erg komisch. Op zo’n moment moet de adem je eigenlijk van plezier in de keel stokken.”

Door Ingrid Bosman